Toelating en inschrijving in het HBO en WO

Toelating en inschrijving in het HBO en WO

11327
1
Rolf Bindels
Rolf is één van de eerste onderwijsrechtadvocaten die bewust ervoor gekozen heeft om voornamelijk studenten bij te staan. Naast vele uiteenlopende individuele zaken staat de onderwijsrechtspraktijk van Rolf ook vooral aan de basis van grote...
Ontzettend veel juridische procedures gaan over de weigering van een hbo of universiteit om een student toe te laten tot het onderwijs of (her) in te schrijven. Veel rechtszaken hierover worden door studenten gewonnen, maar evengoed worden ook veel rechtszaken hierover door studenten verloren. Waar gaat dit nu allemaal over?

 

Wettelijke vereisten voor inschrijving

Het uitgangspunt is dat inschrijving openstaat voor studenten die voldoen aan de vooropleidingseisen en toelatingseisen. De Wet op het Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk onderzoek (WHW) bepaalt verder dat tot de inschrijving niet wordt overgegaan dan nadat de student een bewijs heeft overgelegd dat het verschuldigde collegegeld is of wordt voldaan.

Verder bepaalt de WHW dat universiteiten en hbo-instellingen duidelijke procedureregels moeten hebben zodat een student weet aan welke (aanvullende) inschrijvingsvoorwaarden van de betreffende onderwijsinstelling hij/zij dient te voldoen.

Een eerste (verzoek tot) aanmelding en inschrijving dient in de regel uiterlijk op 1 mei plaats te vinden (voor een nadere toelichting wordt verwezen naar het onderwerp: “Studiekeuzecheck”). Bij herinschrijving stellen de meeste onderwijsinstellingen als vereiste dat vóór 1 september aan alle toelatingsvoorwaarden moet zijn voldaan. Indien dit niet het geval is – en zeker wanneer een student niet voor 1 september aan het collegegeldvereiste heeft voldaan – wordt de student veelal uitgeschreven.

Onderwijsinstellingen te kort door de bocht

Veel studenten vechten de beslissing hen niet in te schrijven aan. Adviezen van de Geschillenadviescommissie (GAC) hierover en uitspraken van het College van Beroep voor het Hoger Onderwijs (CBHO) laten een wisselend beeld zien. Duidelijk is wel dat onderwijsinstellingen de regels te strak hanteren.

Er is maar weinig aandacht voor de omstandigheden van het geval. Hoe om te gaan met een student die een verkeerd e-mailadres heeft doorgegeven? Of met de student die problemen heeft met zijn DigiD? De student die zijn/haar machtigingsformulier voor het collegegeld te laat heeft ingediend? Of de student die in de veronderstelling verkeerde dat de herinschrijving reeds via Studielink had plaatsgevonden maar verzending om een of andere (technische) reden toch niet (althans niet aantoonbaar) heeft plaatsgevonden? En welke rol spelen factoren als dat de student reeds op klasselijsten c.q. presentielijsten staat vermeld?

Onderwijsinstellingen tonen te weinig begrip voor de omstandigheden die hebben geleid tot de te late inschrijving, ondanks dat dit soms wel reden kan zijn de student toch toe te laten.

In ieder geval – en dat is goed nieuws voor studenten – bestaat ook bij het CBHO grote ergernis over de principiële opstelling van onderwijsinstellingen als het gaat om de rigide toepassing van procedureregels omtrent inschrijving. Het CBHO heeft dan ook in haar uitspraken vooropgesteld dat universiteiten en hbo-instellingen de verplichting hebben om aan haar inschrijvingsvoorwaarden een belangenafweging ten grondslag te leggen. Hierbij heeft het CBHO aangegeven studievertraging van herinschrijvers behoort te worden vermeden.

In dat licht bezien is het CBHO onder meer van oordeel dat bij herinschrijvers die zich voor 1 september voor herinschrijving hebben aangemeld, die inschrijving niet had mogen worden afgewezen. Met name wanneer die herinschrijving vanwege onvolledige opgave van de bankgegevens/de digitale machtiging niet is afgerond.

Dit zijn slechts enkele voorbeelden die aangeven hoe genuanceerd het vraagstuk over toelating en inschrijving ligt. Studenten die evenwel niet vóór 1 oktober aan alle voorwaarden hebben voldaan hebben – behoudens uitzonderlijke omstandigheden – weinig kans op succes bij de GAC of het CBHO. Dit laat zich wellicht verklaren door de omstandigheid dat onderwijsinstellingen enkel een rijksbijdrage voor een student ontvangen indien de inschrijving van de student voor 1 oktober definitief is voltooid.

Duidelijk is dat onderwijsinstellingen de regels omtrent inschrijving rigide toepassen. Dat leidt soms tot een onjuiste uitkomst. Indien de student een goede reden heeft voor de te late inschrijving kan de onderwijsinstelling toch verplicht zijn hem of haar in te schrijven.

Heb jij ook te maken met een onderwijsinstelling die weigert jou in te schrijven? Onze onderwijsrechtadvocaten beantwoorden graag je vragen. Dat doen we gratis. Ook een procedure hoeft niet duur te zijn. Studenten zijn voor de gehele dienstverlening meestal slechts € 143,- verschuldigd.

 

Heb je een vraag? Stuur een e-mail naar info@honoreadvocaten.nl of laat hieronder een reactie achter.
DELEN